Na één jaar kwamen de EUROCOM’s tot onze beschikking. Geen wezenlijke verandering ten opzichte van de MEK 6800 kits, maar duidelijk meer student-proof. De EUROCOM’s waren voorzien van een bus-connector, dus moesten de I/O-units wel aangepast worden.
Een voordeel was dat er bijpassende I/O-units beschikbaar kwamen, maar ja die hadden alleen één rijtje rode LED’s en geen verkeerslichtjes.
Bij de studierichting Elektrotechniek werd intussen ook en vooral gebruik gemaakt van het LABBUS-systeem; dat werd voor de werktuigbouwers te duur gevonden.
Bij elektrotechniek werden diverse programma’s op LABBUS ontwikkeld, die dan ook weer uitgevoerd konden worden op de EUROCOM’s.
De inmiddels al weer ‘achterhaalde’ Exidy Sorcerer (Basic ® Algol ® Pascal) werd vervolgens uitsluitend nog gebruikt als terminal, om de bij elektrotechniek ontwikkelde programma’s remote te ontvangen.
Het laboratorium Besturingstechniek breidde zich meer en meer uit. De standaard-proefopstellingen bestonden uit autonome PC’c met een Cintech-interface en daarbij allerhande apparatuur voor het uitvoeren van min of meer levensechte experimenten.
Er werd niet langer geprogrammeerd in Assembler, maar in Turbo-Pascal ook om een betere aansluiting te hebben met de lessen Informatica (veel sterker gericht op wiskundige toepassingen).
Mijn streven is altijd geweest de studenten te prikkelen tot het aanpakken en oplossen van praktische problemen uit hun eigen belevingswereld, waarbij voor de ‘fantasielozen’ standaard experimenten op de rol stonden. De echt nieuwsgierigen konden ook experimenteren met een robotje, met een XYZ- coördinatentafel (teken eens een cirkel !) of met FESTO elektro-pneumatische aparatuur.
Ter illustratie van de mogelijkheden is mijn privé XPC-computer (mijn eerste PC met een HD !) uitgebreid met een FABRIEK.
De FABRIEK bestaat uit een houtje-touwtje constructie, via solid-state-relais aangesloten op de printerpoort van de PC. Geprogrammeerd in Tubo-Pascal stuurt een stappenmotor een object van A naar B en vice versa, met instelbare delay’s.
In 1983 leverden twee van mijn studenten hun laboratorium-verslagen in, keurig geprint en voorzien van strakke schema’s en prenten. Hoe ze dat zo mooi hadden kunnen maken ?
Ze bleken allebei te beschikken over een (voor die tijd) uitzonderlijk fraaie computer en ze hadden software verworven en die aangepast aan hun behoeften (BASIC-programmering).
De grafische mogelijkheden van de machine waren fenomenaal en er kon zelfs in kleuren gepresenteerd worden door een KTV op de computer aan te sluiten.
In 1984 werd door mij ook zo’n apparaat aangeschaft.
Zwaarst wegende overweging: geen correctielinten, -velletjes of –vloeistof meer nodig.
De basale machine had alleen een cassette-interface, een monitor-uitgang en een TV-uitgang.
Dus alras uitbreiding met de ‘ACORN-Plussen’, te weten een printer-interface en een heuse FDD.
Deze configuratie is door mij zeer intensief gebruikt als tekstverwerker, als BASIC-trainer, en ‘en passant’ ook als spelletjes-machine.
Alle gegenereerde dictaten, tentamens en lab-instructies opgestapeld vormden een stapel van méér dan een meter.
Deze machine werd na ongeveer 5 jaar vervangen door een DOS-machine met WordPerfect als tekstverwerker. Dat was nodig om teksten uit te kunnen wisselen tussen de thuiswerkplek en de beroepswerkplek, waar deze tekstverwerker tot norm was gesteld.
|